"Een door moedwil, misverstand of nalatigheid slecht ingelichte pers, is een ernstig gevaar voor de rechtstaat"

De druilzomer is langs de goot tersluiks weggegutst. De transitie van lente naar herfst duurde slechts de tijd van een zucht over de aardkorst. Dat die overgang zo wonderwel de kunst van de beknoptheid beheerst, was sinds 1833, het beginjaar van de metingen in Ukkel, uit het collectieve herinneringsvermogen gewist. Ons geheugen is weer opgefrist. Helaas gebeurde dat opfrissen nogal letterlijk.

Het nieuwe gerechtelijk jaar is begonnen, de routinetrein is vertrokken en wij denderen erop mee. Met die dagelijkse sleur komen ook de praktische beslommeringen. Denk aan de advocaten met schoolgaande kinderen, die hun professionele zorgen aangevuld zien met een veelvoud aan huishoudelijke taken. Een sinecure is het allerminst, en ons beroep verdraagt slechts weinig dipjes.

Wij mogen hopen dat de periode toen gezinnen met een jonge kroost thuis moesten werken in lockdownmodus, niet meer terugkeert. Het aantal fysieke bijeenkomsten stijgt alvast in astronomische lijn. De mensheid herleeft uit de coronaroes.

Dat betekent niet dat het leven er simpeler op wordt.

Neem nu het nieuwe goederenrecht. Journalisten die al dan niet het wetboek gelezen respectievelijk begrepen hadden, meenden bijvoorbeeld alarmerende signalen te kunnen ontwaren dat Jan Doorsnee zich voortaan onaangekondigd en ongevraagd op het naburige erf mag begeven om zijn verloren gelopen chihuahua Fifi terug te halen. Niet dus, zo ontkende de bevoegde minister meteen: de tekst is immers duidelijk!

Bij betwisting is het niet de minister, maar wel de rechter die de zaak zal beoordelen, maar dat terzijde.

Waar Fifi bij het verloren lopen in elk geval rekening mee zal moeten houden, is dat artikel 3.39 van het nieuwe Boek 3 “Goederen” voorschrijft dat dieren een gevoelsvermogen en biologische noden hebben. Terloops gezegd, het artikel vertelt er niet bij of dit een vaststelling is van een feit – hetgeen vreemd aandoet in een wettekst – of dat het daarentegen gaat om een normerende tekst, die mensen ertoe verplicht om dieren te beschouwen als wezens met een gevoelsvermogen en biologische noden.

Wat er ook van zij, Fifi heeft bij wet een gevoelsvermogen. Maar dat geldt natuurlijk evenzeer voor Cerberus, de uit de kluiten gewassen dobermann van de eigenaar van het naburige erf. Vanuit zijn eigenste gevoelsvermogen heeft Cerberus geen sympathie voor personen die op zoek gaan naar verloren gelopen chihuahua’s of weggerolde voetballen, met alle mogelijke verscheurende drama’s van dien. Hoe de uit die schok voortspruitende bloederige scène juridisch geanalyseerd zal moeten worden, wordt ook werk voor de rechter, met de hulp – oef! – van de nodige advocaten.

De voorlopige conclusie is dubbel.

Vooreerst is het een illusie te denken dat een nieuwe wet, hoe diep overdacht en wetenschappelijk gedragen ook, de ruimte voor betwistingen kan of zal opheffen. De Franse romancier Stendhal las elke ochtend een paar bladzijden uit het Burgerlijk Wetboek, naar eigen zeggen om altijd “natuurlijk” te kunnen zijn. Naar Stendhals smaak was het wetboek – dat van 1804 – natuurlijk, helder en precies. Maar volgens de literaire criticus Rémy de Gourmont was het nu net het werk van Stendhal dat natuurlijk, helder en precies was, in tegenstelling tot de Code civil, die obscuur en diffuus was. Advocaten en rechters worden er niet minder onontbeerlijk op, laat dat duidelijk zijn.

Ten tweede is de pers geen bron van recht. Wie wil weten wat de wet zegt, moet de wet lezen en, bij twijfel, die wet volgens de juridische geplogenheden interpreteren. Zoals eerste advocaat-generaal Ria Mortier treffend zei in haar uitstekende mercuriale bij de opening van het gerechtelijk jaar in het Hof van Cassatie, is de manier waarop de pers juridische of gerechtelijke kwesties recenseert, soms van zeer bedenkelijk niveau. Een goed geïnformeerde, behoorlijk gedocumenteerde en kritische pers is onontbeerlijk in de rechtstaat. Een door moedwil, misverstand of nalatigheid slecht ingelichte pers, die het snelle “morele” oordeel het overwicht geeft boven de analyse, is een ernstig gevaar voor de rechtstaat, omdat zij een voedingsbodem biedt voor misplaatst cynisme, complottheorieën en afkeer van de democratische instellingen.

Tegen die ontsporingen moet ook de advocatuur ten strijde trekken en haar informerende en educatieve rol spelen naar de rechtzoekende toe.

Met genegen groeten,

Peter Callens
Voorzitter Orde van Vlaamse Balies