Een onafhankelijke balie is de graadmeter van de bescherming tegen willekeur

Onze voorzitter schrijft vandaag over de scheiding der machten en de overheidsfinanciering van de BJB’s.

Hij stelt zich de vraag of het een juiste keuze is om de bijstand aan de minstbedeelden op het bestaande niveau te houden. Zeker nu de inkomensgrenzen om voor rechtshulp in aanmerking te komen verhoogd zijn en veel meer mensen door de COVID19-crisis in armoede zijn beland of nood hebben aan juridische bijstand. Daarnaast moeten advocaten die opdrachten van het BJB aanvaarden, vaak tegen abnormaal lage tarieven werken.

Alle goede dingen bestaan in drieën, zegt het spreekwoord. Neem bijvoorbeeld de staatsmacht: hij is verdeeld over de wetgevende, de rechterlijke en de uitvoerende macht. Die drieledigheid danken wij aan John Locke en aan de man wiens naam niet doet vermoeden dat hij zoiets zou bedenken, Charles Louis de Secondat, baron de La Brède et de Montesquieu.

Maar veel spreekwoorden vergaat het niet veel beter dan, pakweg, weerspreuken: ze hebben een grond van wijsheid, maar in de veralgemening is de nuance zoek. En daar zit uitgerekend het verschil.

Niet dat u vaak zult horen dat iemand de trias politica wil afschaffen, toch niet in de kringen waarin wij willen vertoeven. Wat ik wel bedoel, is dat de driedeling van de staatsmacht een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde is voor een vrije en open maatschappij. De scheiding der machten moet daarenboven een pendant vinden in minstens twee tegenmachten: een vrije pers en een vrije balie.

Een onafhankelijke, kwaliteitsvolle en kritische journalistiek, in woord en in beeld, is de in vorm gegoten vrije meningsuiting. Zij is essentieel voor een democratische besluitvorming omdat zij informeert en misbruiken ontdekt en aan de kaak stelt, ook en vooral wanneer zij uitgaan van overheden of wie daarin een rol speelt.

Een onafhankelijke balie is de graadmeter van de bescherming tegen willekeur. Advocaten moeten vrij de verdediging van hun cliënten kunnen waarnemen, zonder met hun cliënten geïdentificeerd te worden. Zij moeten ongehinderd namens hun cliënten de overheid kunnen aanspreken op haar plichten, zonder gevaar voor represailles.

Een zwakke pers en een zwakke balie, waar journalisten en advocaten meelopers zijn van de macht of door haar onder druk gezet worden, laten het ergste vermoeden over de toestand van de burger. Een sterke pers en een sterke balie verzwakken het maatschappelijke bestel niet, integendeel: zij bewijzen er de sterkte van.

Niet alleen spreekwoorden lopen soms mank, ook met vergelijkingen is het uitkijken geblazen. Ik waag mij toch aan een vergelijking tussen geldbedragen. Dat heeft het voordeel van de aritmetische eenvoud: honderdzeventig is meer dan honderd. Soms spreekt zo’n vergelijking boekdelen.

Het federale jaarbudget voor tweedelijnsbijstand, dat is de juridische assistentie aan personen die zich anders geen advocaat kunnen veroorloven, bedraagt ca. 100 miljoen euro. Dit bedrag omvat de getarifeerde erelonen voor de pro-Deoadvocaten en de – zware – werkingskost van de bureaus voor juridische bijstand (BJB’s): opvang van rechtzoekenden, verificatie van hun vermogenstoestand, toewijzing van een advocaat, afhandeling van klachten, ga zo maar door. Elk jaar sluiten de BJB’s ongeveer 200.000 dossiers af, dat is een gemiddelde kost per zaak van 500 euro, administratiekosten en erelonen inbegrepen. Er zitten kleine zaken bij, maar ook geregeld zeer omvangrijke dossiers.

Diezelfde federale overheid heeft, volgens bevestigde bronnen, een budget van ruim 170 miljoen euro over voor de verdeling van kranten door bpost. Dit is een betoelaging van dagbladpers: zo geven de uitgevers minder uit aan distributie en kunnen zij het geld elders besteden.

Het komt mij niet toe de wenselijkheid van een overheidstussenkomst voor krantenbedeling te beoordelen. Misschien ben ik wel bevooroordeeld: persoonlijk houd ik ervan mijn krant zo goedkoop mogelijk thuis aangeleverd te krijgen om mijn ontbijt extra op te luisteren.

Maar het recht, voor wie “niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan” ligt vast in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het is ook verankerd in de Grondwet en in het Gerechtelijk Wetboek. Op zo’n juridische pedigree kan de vraag naar goedkope krantendistributie niet bogen.

Politiek blijft de kunst van het haalbare, en binnen die limiet zijn keuzes nodig. Maar mag ik de vraag stellen of het een juiste keuze is om de bijstand aan de minstbedeelden op het bestaande niveau te houden, zeker nu de inkomensgrenzen om voor rechtshulp in aanmerking te komen verhoogd zijn? Moet ik eraan herinneren dat de COVID19-crisis veel meer mensen in armoede duwt, in conflictueuze toestanden brengt, of confronteert met een nood aan geestelijke gezondheidszorg waarvoor juridische omkadering nodig is? Mag ik erop wijzen dat de advocaten die opdrachten van het BJB aanvaarden, vaak tegen abnormaal lage tarieven moeten werken, in die mate dat er schitterende advocaten zijn die afhaken omdat het financieel niet langer houdbaar is?

En voor wat de onontbeerlijke onafhankelijkheid van de twee grote tegenmachten betreft: de overheidsfinanciering van de BJB’s maakt advocaten niet beïnvloedbaar. Zij blijven ongehinderd in hun slagkracht, ook als zij tegen de overheid moeten optreden. Kan de dagbladpers met dezelfde hand op het hart zeggen dat ook haar onafhankelijkheid niet is aangetast en dat zij op geen enkele wijze schatplichtig is aan de politici die voor de betoelaging zorgen? Ik hoop het ten stelligste, voor het goed van onze maatschappelijke ordening, maar durf er geen eed op zweren.

Met genegen groeten,

Peter Callens