"Moeten wij geloven dat een pandemiewet niet tot het domein van het haalbare behoort?"

Er is geen vrouwtje nog zo arm, of ze maakt met Lichtmis haar pannetje warm. Inderdaad, op Lichtmis eten de mensen pannenkoeken, zo wil de traditie. Bij de exploitanten van vakantieparken, bungalowparken en campings, die in recente tijden weinig kansen kregen om rijk te worden, zal de pannenkoek met smaak verorberd zijn. Op die dag, vorige dinsdag dus, besloot de Raad van State namelijk dat die logiesvormen weer mogen openen vanaf 8 februari.
 

De coronamaatregelen van de minister van Binnenlandse Zaken hadden er de sluiting van bevolen, "met uitzondering van de vakantieverblijven, bungalows, chalets en kampeervoorzieningen die dienen voor het gebruik door de eigenaar en/of diens huishouden, of door een huishouden dat er zijn gewoonlijke verblijfplaats heeft, en enkel voor dit gebruik".

De Raad van State zag niet in waarom die logiesvormen een andere behandeling moesten krijgen dan hotels, die wel open mogen blijven, ook voor vakantiegangers. Die onderscheiden behandeling knarst des te meer omdat het concept ‘hotel’ volgens de minister ook ‘aparthotels, gîtes, B&B’s en alleenstaande vakantieverblijven’ omvat. Waarom de ene wel en de andere niet? Dat raakte er bij de Raad van State niet in, en voor zoveel onbegrip vanwege ons hoogste bestuurlijke rechtscollege kan uw dienaar enkel begrip opbrengen. Maar dat ontlokt aan ondergetekende niettemin de bedenking of er stilaan geen ongelijkheid gaat huizen in de bestuurlijke rechtspraak die van de ene coronamaatregel oordeelt dat hij wel de wettelijkheidstoets doorstaat, maar van een andere niet.

De coronamaatregelen bevatten trouwens meer ongerijmdheden: het onvermijdelijke resultaat van haastwerk en keuzes waarvan niet alle implicaties doordacht zijn, maar ik wil dit cursiefje niet laten verworden tot een bildungsroman.

In deze tijden van fluctuerende corona-inzichten, is de vraag welk ernstig alternatief er bestaat voor uit sprokkelhout aaneengeregen administratieve regelgeving. Over de oplossing voor die vraag is, in het moeras waarin wij ons bevinden, elke eensgezindheid zoek. Lichtmis brengt dan misschien pannenkoeken, maar het licht moeten wij voorlopig missen.

De pers van uitgerekend diezelfde dag kwam in één beweging aanrukken met driedubbel nieuws. Eén, de minister van Volksgezondheid heeft een noodwet klaar om de strijd tegen de pandemie kracht bij te zetten en de grote lijnen van die wet zijn bekend. Twee, de minister van Binnenlandse Zaken werkt nog steeds aan haar pandemiewet, waarvan nog niets bekend is, en zij mikt op het voorjaar om die erdoor te krijgen. Drie, de eerste minister wil geen nieuwe wet, want dat is namelijk een risico, en we gaan niet meer risico’s invoeren dan er al zijn. De premier ziet nadrukkelijk een vernietiging door het Grondwettelijk Hof als het te vermijden risico.

Moeten wij geloven dat de premier vreest dat een pandemiewet die ‘grondwetproof’ is, niet tot het domein van het haalbare behoort? Zou dat de reden kunnen zijn waarom wij het moeten stellen met ministeriële besluiten?

Omdat een magere troost beter is dan geen troost, bied ik u ootmoedig de gedachte aan dat het gras elders niet groener is. Neem nu Frankrijk, de bakermat van de Verlichting. Vorige vrijdag, zo meldt de betere pers, ontwaarde de politie tamelijk veel volk in het gezellige maar kleine Parijse restaurant L’Annexe, aan de overkant van het Justitiepaleis. Nochtans kun je er in coronatijd uitsluitend terecht voor afhaalmaaltijden. Bleek daar een tiental magistraten, onder wie een paar van het hof van beroep, vriendschappelijk rond de dis verenigd te zitten voor de lunch, met een glas champagne in de hand. De magistraten waren niet gediend met de politionele afstapping, maar dat mocht niet baten: de coronaboete kregen zij samen met de rekening geserveerd. Van twee aanwezige leden van het Cour nationale du droit d’asile eist de voorzitster van datzelfde hof nu het ontslag.

Voor de enen toont dit incident aan dat, als zelfs hoge magistraten de regels aan hun laars lappen, de houdbaarheidsdatum van de coronamaatregelen verstreken is. Voor anderen is het een schande dat lieden die een voorbeeldfunctie hebben zich gedragen met zoveel misprijzen voor de medeburgers die zich wel aan de regels houden. Nog anderen zijn blij te vernemen dat die magistraten niets menselijks vreemd is. Ik beperk mij tot de overpeinzing dat de inbreukplegers de kans krijgen om zelf nog een keer te ervaren hoe belangrijk het is een advocaat te kunnen raadplegen, een advocaat die vrijuit kan spreken en voluit voor zijn cliënt kan gaan. Dat wordt in de komende dagen hun licht in deze duisternis.

Met genegen groeten,

Peter Callens
Voorzitter Orde van Vlaamse Balies