“Wij leven naast een vulkaan, maar onze onafhankelijkheid, onze waarden en het pleitmonopolie, daar dingen wij niet op af."

Onze illustere Romeinse confrater Plinius de Jongere was, als 17-jarige jongen, ooggetuige van de uitbarsting van de Vesuvius. Dat was in het jaar 79. Plinius de Jongere pende het verhaal neer in een vermaard gebleven brief aan de annalenschrijver Tacitus.

Daarin brengt hij het verhaal van de dood van zijn oom Plinius de Oudere, ook een glorierijke confrater van ons. Die oom was destijds admiraal over de vloot in de golf van Napels. Hij had een bericht ontvangen van Rectina, de vrouw van zijn vriend Cascus. Zij smeekte Plinius om haar te komen redden. Zij woonde namelijk aan de voet van de vulkaan en de vluchtwegen over land waren afgesneden. Plinius de Oudere vertrok aan boord van een vierriemer om de bewoners van de landtong te bevrijden. Aanvankelijk handelde hij vooral uit nieuwsgierigheid. Maar brandende as en brokken puimsteen vielen uit de lucht en Plinius twijfelde of hij zijn tocht wel kon voortzetten. Zijn plichtsbewustzijn nam de overhand. Hij zette door. Fortes fortuna iuvat, riep hij. Het leven is aan de durvers. En wie in nood is, moeten wij helpen. ‘Hij repte zich naar de plaats vanwaar anderen vluchtten’, schrijft Plinius de Jongere, ‘properat illuc unde alii fugiunt.’

Na de reddingsoperatie bracht de advocaat-zeeman de nacht door op het vasteland, in het huis van zijn vriend Pomponianus. Als volleerd stoïcijn sliep Plinius rustig, Pomponianus en zijn huisgenoten bleven ongerust waken.

De volgende ochtend regende het stenen. Plinius de Oudere en zijn gezellen besloten het huis te verlaten. Vluchten leek de enige optie. Met kussens, die zij met repen linnen vastbonden, beschermden zij hun hoofd tegen de hagel van stenen en as. De zon had moeten schijnen, maar het was donkerder dan in de donkerste nacht. Het gezelschap bereikte de oever, maar de nogal corpulente Plinius kreeg ademhalingsmoeilijkheden. Hij vlijde zich neer op een zeildoek, vroeg om water en dronk tweemaal. Een zwavelwolk kwam voorbij, gevolgd door neervallende vlammen. De vlucht moest voortgezet worden. Plinius kwam recht, maar stierf ineens ter plekke. De dag erop vonden passanten het levenloze lichaam. Het leek alsof Plinius sliep, allicht was hij gestikt door de rook.

Leven naast de vulkaan. Wij doen het allemaal, elke dag weer. Soms stoïcijns, soms meer als Pomponianus. Voor ons is het niet de Vesuvius, maar de denkbeeldige berg der onvoorspelbaarheden. De berg in schijnbare rust, onheilspellend rommelend, of in volle uitbarsting.

In ons professionele leven als advocaten is ons hetzelfde lot beschoren. De onberekenbaarheid van wat komen gaat: het is onze biotoop. Eerst alle zijden afdekken, vooral de zwakste, meer dan met kussens en linten. En dan het ongewisse tegemoet treden en weerstand bieden tegen de elementen, als een nieuwe Plinius.

Het instituut van de balie ontkomt er evenmin aan. Ook zij moet, in het zicht van de vulkaan, het hoofd bieden. En dus waar nodig de koers bijstellen, na de nieuwe richting uitgestippeld te hebben naar het doel dat wij voor ogen hebben. Nul vent fait pour celui qui n’a point de port destiné, schreef Montaigne in zijn Essais omstreeks 1580: er bestaat geen goede wind voor wie niet weet waar de haven ligt.

Moet ons beroep zich moderniseren en dus de koers wijzigen? Op onderdelen ongetwijfeld wel. De wereld draait door, de balie moet mee. Meer efficiëntie en bescherming van de integriteit van de beroepsuitoefening, betere effectiviteit van de beroepsopleiding, optimalisatie van de dienstverlening aan het cliënteel, evaluatie van reglementen op hun deugdelijkheid, modernisering van de tuchtprocedure – de scheepsroutes zijn het voorwerp van debat in de schoot van de OVB en daarbuiten.

De niet voor wijziging vatbare ijkpunten zijn gelukkig in kaart gebracht. De onafhankelijkheid van ons beroep staat op nummer één. Inmenging vanwege de uitvoerende macht of andere overheden in onze beslissingsprocessen, zelfs met kleine dosissen, zelfs louter potentieel of schijnbaar: dat zullen wij niet verdragen. Een niet-onafhankelijke advocaat, of een advocaat die valt onder een niet-onafhankelijke balie: dat is geen advocaat, omdat hij niet voluit voor zijn cliënt kan gaan.

De waarden van ons beroep, die op lange termijn waarborgen dat processen fair en loyaal gevoerd worden, zonder slagen onder de gordel, dat de informatie die wij vernemen geheim blijft voor derden en voor overheden, en dat wij ons collectief inzetten voor de juridische bijstand aan de zwaksten in de samenleving, aan de mensen die elders geen gehoor meer vinden. Ook daarop zullen wij geen bakzeil halen.

Het pleitmonopolie is nog zo’n baken waarover niet te marchanderen valt. Het is de waarborg voor cliënten dat zij bijstand krijgen, niet van zoetwatermatrozen of flierefluiters, maar van door de wol geverfde advocaten die de rechtsgang kennen en zich (moeten) houden aan de regels van loyale procesvoering. Daarmee is het pleitmonopolie ook een waarborg voor de magistraten. Een waarborg die zij niet willen missen, trouwens.

Plinius de Jongere schreef aan Tacitus: ‘Gelukkig zijn zij aan wie de goden gegund hebben om te doen wat de moeite loont om erover te schrijven, of om daarover te kunnen schrijven op een manier die de moeite loont om gelezen te worden. Buitengewoon gelukkig zijn zij die gezegend zijn met beide uitzonderlijke talenten. In hun rangen bevindt zich zeker mijn oom, zoals blijkt uit zijn eigen geschriften en ook die van u zullen aantonen.’

De lat lag hoog, bij onze Romeinse confraters. Maar hun voorbeeld blijft inspireren.

Met genegen groeten,

Peter Callens
Voorzitter Orde van Vlaamse Balies