Social Media Judge

Hoe zou onze rechtspraak klinken mochten de commentaren op sociale media rechtsgeldigheid hebben? De Orde van Vlaamse Balies stelt voor: de social media judge, een artificieel (on)intelligente rechter die zijn uitspraken niet baseert op het wetboek maar op Facebook.

Uit de mond van een rechter, al is het een artificiële, klinkt de haastig online getypte publieke opinie nog meer confronterend. In een democratisch rechtssysteem heeft iedereen recht op een eerlijk proces met de juridische bijstand van een advocaat. Maar dat vergeten we blijkbaar wel eens wanneer we in onze internetpen kruipen.
 
De Vox Populi is van alle tijden, maar in deze Social Media Age is ze luider dan ooit. Daarom leek het ons hoogtijd voor een debat. Kom op 28 september naar het nieuwe gerechtsgebouw in Gent. Een aantal panelleden gaan er onder leiding van VRT-journalist Fatma Taspinar in debat met onze Social Media Judge.

De Social Media Judge in actie

Op 28 september 2019 vond in Gent het debat 'Facebook versus Wetboek' plaats met als special guest de Social Media Judge. De panelleden waren Paul Bekaert, Fernand Keuleneer, Hans De Waele en Catherine Van de Heyning. George Martyn verzorgde de inleiding, Fatma Taspinar was moderator.

Bekijk het sfeerverslag:

 

Waarom beschikt een vermeende moordenaar of kinderverkrachter over uitgebreide rechten? Waarom lijken die belangrijker dan de rechten van het slachtoffer?

Wat is een rechtsstaat?

Een essentieel onderdeel van een rechtsstaat is het legaliteitsbeginsel: geen straf zonder wet. Die straf moet bovendien uitgesproken worden door een onafhankelijke rechter die verplicht kijkt naar de omstandigheden van beide partijen en die op voet van gelijkheid moet behandelen. Bovendien moet de rechter zijn vonnis of arrest motiveren en uitleggen hoe hij tot een bepaalde beslissing is gekomen, bijvoorbeeld aan de hand van bepaalde wetsartikels. 

Pas na dat eerlijk proces kan een verdachte (on)schuldig worden verklaard. 

Bij voorlopige hechtenis is er nog geen uitspraak over de schuld of onschuld gedaan. Het is een uitzonderlijke situatie die aan strikte voorwaarden moet voldoen en die niet mag worden gebruikt als voorafname op een straf die nog moet worden uitgesproken. 

Die beginselen zijn zowel in nationale als in regionale en internationale regelgeving en rechtspraak uitgebreid erkend. Zij zijn voor iedereen gelijk van toepassing. Het is nochtans die gelijke toepassing die niet altijd als evident of zelfs als ‘rechtvaardig’ wordt beschouwd in de ogen van de burger!
 

Hoewel leven in een democratische rechtsstaat te benijden valt, ervaren we het toch vooral als een vanzelfsprekendheid. Meer zelfs, we stellen ons steeds meer vragen bij de waarborgen die we door het recht krijgen. Onderzoek liegt er niet om: slechts 28% van Belgische jongeren tussen 14 en 24 jaar vindt de ‘rule of law’ ofwel een rechtsstaat nog een belangrijke waarde.

De rol van een advocaat

Fundamenteel om die vragen te beantwoorden en de rol van de advocatuur te begrijpen, is het besef dat democratie en rechtsstaat geen synoniemen van elkaar zijn.
 
In een democratie heeft de burger invloed op wie er bestuurt en hoe er bestuurd wordt. Het is gebouwd op vertrouwen in wie we zelf hebben verkozen. Een rechtsstaat daarentegen is een staat waarvan de macht gereguleerd en beperkt wordt door het recht. Ze is gebaseerd op het principe van het georganiseerd wantrouwen tegenover de overheid. Dat wantrouwen is eveneens nodig omdat macht corrumpeert en overheidswillekeur moet worden voorkomen. Daarom zijn er regels waaraan die machten gebonden zijn, waaraan (onderzoeks)rechters zich moeten houden, regels die voor iedereen gelijk gelden en die dus de rechtszekerheid moeten garanderen. Als we die waarborgen zouden laten vallen voor specifieke gevallen zoals een kinderverkrachter, is het hek van de dam.

Advocaten hebben niet enkel de taak maar ook de plicht om ervoor te zorgen dat de waarborgen die het recht aanbiedt, gerespecteerd worden, ongeacht wie zij verdedigen een fraudeur of een moordenaar. Ze treden vanuit hun eigen onafhankelijkheid en onpartijdigheid op als tegenspreker van de macht en staan op die manier ook mee garant voor een onpartijdige en onafhankelijke magistratuur. Hoewel een advocaat enkel de persoonlijke belangen van zijn cliënt moet verdedigen, verdedigt hij zo eveneens een ruimer maatschappelijk belang. 

Een advocaat is dus onafhankelijk ten opzichte van politici, overheden en magistraten. Die onafhankelijkheid wordt gegarandeerd door een aantal rechten waarover de advocaat beschikt in de uitoefening van zijn beroep. Hij behartigt de belangen van zijn cliënt en moet dus partijdig zijn. Daarnaast is de advocaat ook onafhankelijk ten opzichte van zijn eigen cliënt. Dat is dan weer een waarborg voor de overheid. Als een advocaat zijn plicht tot onafhankelijkheid in gevaar brengt, is hij daarop immers tuchtrechtelijk aanspreekbaar. De advocaat is dus evenzeer beperkt door bepaalde deontologische en tuchtrechtelijke regels. Meer zelfs, er zijn weinig beroepen waarbij de beroepsbeoefenaars voortdurend en van zo nabij worden opgevolgd en beoordeeld.

De taak van de advocaat moet dus begrepen worden binnen het kader van de rechtsstaat. Hoewel de verdediging die de advocaat voert niet altijd lijkt te stroken met het rechtvaardigheidsgevoel van de burger, streeft de advocaat wel degelijk enkel maar rechtvaardigheid en een correcte toepassing van de wet voor zijn cliënt na. De advocaat is immers de belangrijkste actor om de gelijke toegang tot het recht en het recht op een eerlijk proces te garanderen. Hij dwingt justitie bovendien tot zorgvuldig omgaan met fouten, zodat onze grondrechten niet worden geschonden en zodat procedurefouten die een mogelijke impact kunnen hebben op de uitkomst worden beperkt.

De advocatuur speelt een cruciale rol om die rechtsstaat te verdedigen.

Wat is?

  • Voorlopige hechtenis is een duidelijke inmenging in het grondrecht op de eerbiediging van de persoonlijke vrijheid en het spreekt voor zich dat dat bevel tot aanhouding aan zeer strikte voorwaarden onderworpen is. Zo moeten er ernstige aanwijzingen bestaan dat de verdachte een feit zou hebben gepleegd dat strafbaar is met een gevangenisstraf van minstens een jaar.

    De onderzoeksrechter geeft de opdracht om iemand in voorlopige hechtenis te nemen. Het is de vrijheidsberoving van een verdachte in het kader van een gerechtelijk onderzoek in strafzaken, dus vooraleer er uitspraak wordt gedaan over de schuld of onschuld van die verdachte.

    De maatregel dient om de openbare veiligheid te garanderen. Het is niet de bedoeling om iemand onmiddellijk te bestraffen of onder dwang te zetten. Als de maximumstraf niet hoger dan 15 jaar is, kan voorlopige hechtenis enkel als er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat de vrijgelaten verdachte nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen, zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken of bewijzen zou proberen te laten verdwijnen.

    Het bevel tot aanhouding kan worden uitgevoerd in de gevangenis, maar ook onder elektronisch toezicht. De Raadkamer moet binnen de vijf dagen (en daarna (twee)maandelijks) de voorlopig hechtenis bevestigen.
  • Het legaliteitsbeginsel vinden we terug in artikel 14 van onze Grondwet: “Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet”. In het verlengde daarvan zegt artikel 12 dat “de vrijheid van de persoon gewaarborgd is. Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft”.

    Maar ook op regionaal en internationaal niveau worden de beginselen van de rechtsstaat zodanig fundamenteel bevonden dat zij uitgebreid beschermd worden in alle voorname mensenrechtenverdragen.

    Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens waarborgt bijvoorbeeld het legaliteitsbeginsel in artikel 7, terwijl artikel 5 de  voorwaarden opsomt waarin iemands vrijheid uitzonderlijk mag worden ontnomen. Artikel 6 van het EVRM weidt dan weer uit over het recht op een eerlijk proces en wat daarvoor de vereisten zijn. Het gaat over de behandeling en beslissing binnen een redelijke termijn, het hoor- en wederhoorrecht, de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter, het recht op motivering van de uitspraak, enz.
     
    De rechtsbescherming van de partijen wordt nog verder uitgediept in artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten (IVBPR). Het verbod op willekeurige arrestatie of gevangenhouding en het legaliteitsbeginsel vinden we terug in respectievelijk de artikelen 9 en 15 van het IVBPR. We vinden ze ook terug in de juridisch niet-bindende artikelen 9 t/m 11 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.
  • Het Wetboek van Strafvordering maakt een onderscheid tussen enerzijds een opsporingsonderzoek onder leiding van een procureur des Konings en anderzijds een gerechtelijk onderzoek onder de verantwoordelijkheid van een onafhankelijke onderzoeksrechter, dat is een magistraat uit de rechtbank van eerste aanleg.
     
    Het opsporingsonderzoek is minder diepgaand dan een gerechtelijk onderzoek. Sommige meer ingrijpende onderzoeksdaden kunnen nog gevraagd worden aan de onderzoeksrechter zonder dat een gerechtelijk onderzoek opgestart moet worden. De onderzoeksrechter houdt zo toezicht op en waarborgt de grondrechten van de verdachten. Andere onderzoeksdaden zoals een huiszoeking of een telefoontap zijn echter dermate ingrijpend in het privéleven van een verdachte dat enkel de onderzoeksrechter bevoegd is in een gerechtelijk onderzoek. De onderzoeksrechter is zelf ook onderworpen aan de regels en vormvereisten die bij wet bepaald zijn.
  • Een groot aantal wettelijke en reglementaire regels van het advocatenberoep dient precies om de onafhankelijkheid van de advocaat te garanderen. Het gaat daarbij om rechten die geen enkele andere professionele raadgever bezit: de immuniteit van pleidooi (d.w.z. de advocaat kan niet worden gestraft om wat hij zegt tijdens een pleidooi), recht op vrij verkeer en vertrouwelijke correspondentie met aangehoudenen, recht op inzage in en mededeling van stukken, enz.
     
    Een advocaat heeft echter ook tal van deontologische plichten die de cliënt moeten beschermen. Regels van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid worden hen opgelegd door de algemene principes in het Gerechtelijk Wetboek en in meer concrete toepassingen zoals de Codex Deontologie voor Advocaten. Een advocaat zal bijvoorbeeld geen tegenstrijdige belangen mogen behandelen en zal het beroepsgeheim te allen tijde moeten respecteren. Hij is gehouden tot geheimhouding van alles wat zijn cliënt hem toevertrouwt en alles wat hij van of over zijn cliënt verneemt, en dat tegenover alle rechterlijke, onderzoekende, fiscale en bestuurlijke instanties en tegenover alle derden. Daarnaast zijn sommige activiteiten ook onverenigbaar met de uitoefening van het beroep van advocaat.
  • Als democratisch vertegenwoordiger van het volk beschikt de het parlement zowel op nationaal als internationaal niveau over een ruime marge om wetgeving op te stellen. Als zij daarbij een fundamenteel recht inperkt, moet zij dat rechtvaardigen. Maar zolang fundamentele rechten niet in hun kern geraakt worden, kunnen zij beperkt worden. De afwijking moet dan wel bij wet bepaald zijn, een legitieme doelstelling nastreven en proportioneel of noodzakelijk zijn om dat doel te bereiken.

    Voorbeeld
    De wetgever zou kunnen voorstellen dat iemand voortaan schuldig is tot de onschuld aangetoond is. Zover kan de wetgever niet gaan, omdat fundamentele rechtsregels dat verbieden. De wetgever kan dus wel verschillende straffen opleggen naargelang welk misdrijf werd gepleegd.

  • Het woord procedurefout komt vaak aan bod in verhitte discussies over de werking van justitie. Toch moet er ook enige nuance worden gelegd voor wat betreft de gevolgen van zulke fouten. Niet elke fout leidt immers zomaar tot vrijspraak. De Antigoonleer bepaalt bijvoorbeeld dat niet elk onregelmatig verkregen bewijselement tot de nietigheid van dat bewijsstuk moet leiden. De rechter zal het enkel weigeren als een bepaald vormvoorschrift niet is nageleefd, de onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast of het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces. 
  • Verjaringstermijnen komen in verschillende rechtstakken voor. Het houdt in dat een bepaald recht na verloop van tijd niet meer kan worden ingeroepen. Zo kan een schuldeiser zijn schuld na een bepaalde termijn niet meer opeisen en kan het Openbaar Ministerie bepaalde misdrijven niet meer vervolgen. Zo wil de wetgever rekening houden met de maatschappelijke relevantie van een vervolging, de rechtszekerheid waarborgen en een optimale bewijslevering garanderen. Na een tijd wordt het voor speurders immers moeilijker om bepaalde sporen en bewijzen te ontdekken en komt de verdediging door getuigen in het gedrang. Voor overtredingen, de minst zware categorie van misdrijven, bedraagt die verjaringstermijn 6 maanden. Andere termijnen bedragen 1, 5, 10 of 15 jaar afhankelijk van het misdrijf. Sinds enkele jaren zal de strafvordering voor misdaden die strafbaar zijn met levenslange opsluiting alsook de niet-correctionaliseerbare misdaden waarbij het slachtoffer minderjarig is, pas na 20 jaar verjaren.