“Onze vrijheid verdraagt slechts een inperking als daarvoor een voldragen wettelijk kader bestaat”

Ook tijdens de kerstvreugde houdt onze voorzitter Peter Callens de actualiteit in de gaten. In een opiniestuk heeft hij het over – hoe kan het ook anders – de domper op de eindejaarsfeesten. Hij plaatst vraagtekens bij het wettelijke kader voor de vrijheidsberovende maatregelen: “De rekbaarheid van bestaande wettelijke regelingen is over haar limiet heen.”


In 2020 missen de eindejaarsfeesten de traditionele feestelijkheid. Nooit eerder hebben wij zoiets gezien. Mensen die de Tweede Wereldoorlog hebben gekend, zeggen mij dat het nu erger is. Over die uitspraak heb ik wel mijn twijfels, maar ik neem haar mee voor wat zij waard is: 2020 is erg, zelfs in de perceptie van wie al wat meegemaakt heeft.

Ons wordt verteld dat de pandemie de oorzaak is van dat onheil. Maar dat is onzin.

2020 is een jaar zonder echte eindejaarsfeesten, simpelweg omdat de overheid ons door middel van regels de feestvreugde ontzegt. Dat ook andere landen vergelijkbare maatregelen nemen sterkt de illusie dat de pandemie onze feestgebruiken fnuikt. Het blijft echter een illusie: we mogen niet vieren, omdat de overheid het ons verbiedt. De pandemie zelf verbiedt niets.

Natuurlijk zal geen redelijk mens betwisten dat we de ziekte moeten bestrijden met alle gepaste maatregelen. En dat die maatregelen ervoor moeten zorgen dat de ziekenhuizen capaciteit overhouden. Dat die maatregelen een stuk vrijheid tijdelijk opschorten, nemen we erbij.

Over wat in deze gezondheidscrisis een gepaste maatregel is, is een – democratisch en geïnformeerd – debat mogelijk en onontbeerlijk.

Het valt namelijk op dat de vrijheidsberovende maatregelen in ons land op heel wat punten strenger zijn dan in naburige landen.

Voor die beleidskeuze moet een goede, democratisch gedragen juridische verantwoording bestaan. Zeker als sommigen, tot overmaat van ramp, voor de handhaving van de maatregelen zwaaien met onderzoeksmethodes die goed zijn voor de bestrijding van drugsbanditisme of terrorisme, maar niet voor de beteugeling van familiediners rond een gebraden kalkoen. Dat het College van procureurs-generaal moest tussenkomen om de geldingsdrang van lokale potentaten te temperen strekt evenveel tot geruststelling als tot ongerustheid.

De elkaar in sneltreinvaart opvolgende en steeds wijzigende ministeriële besluiten “houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken” van  28 oktober28 november11 december19 december20 december en 21 december staan bol van de detaillistische geboden en verboden. Dat hun formulering niet steeds uitblinkt door helderheid en coherentie, helpt niet. De gemaakte keuzes stellen het rechtvaardigheidsgevoel op de proef.

Artikel 182, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid blijkt de centrale wettelijke grondslag van de keizer-kosterachtige verbodsregels te vormen:

“De minister of zijn gemachtigde kan in geval van dreigende omstandigheden de bevolking, ter verzekering van haar bescherming, verplichten zich te verwijderen van plaatsen of streken, die bijzonder blootgesteld, bedreigd of getroffen zijn, en degenen die bij deze maatregelen betrokken zijn een voorlopige verblijfplaats aanwijzen; om dezelfde reden kan hij iedere verplaatsing of elk verkeer van de bevolking verbieden.”

De memorie van toelichting beperkt zich tot een summiere commentaar:

“In gevaarlijke omstandigheden kan de minister of zijn afgevaardigde beslissen tot de evacuatie van de bevolking, om haar te beschermen, of tot aanwijzen van een voorlopige verblijfplaats. Hij kan ook verkeer of verplaatsing van personen verbieden.”

Dat die wet niet bedoeld is voor de huidige gezondheidscrisis spat van het scherm. Zij is wel de deus ex machina geworden die moet dienen als wettelijke grondslag, hoe gammel ook. Bepaalde rechtspraak gaat daarin mee, maar dat neemt de wankelheid van de wettelijke basis vooralsnog niet weg.

Nood breekt hier geen wet. Onze vrijheid verdraagt slechts een inperking als daarvoor een voldragen wettelijk kader bestaat dat de toets aan de Grondwet en de grondrechten en vrijheden doorstaat. De rekbaarheid van bestaande wettelijke regelingen is over haar limiet heen. En moeten wij in herinnering brengen dat “de Grondwet noch geheel, noch ten dele [kan] worden geschorst”, zoals artikel 187 van diezelfde Grondwet voorschrijft? Het zal alvast niet de schuld van de advocaten zijn als zij de rechtsgeldigheid van coronavervolgingen aanvechten.

Dat alles mag onze zin voor relativering niet aantasten. Landen die wél over een aangepast wettelijk kader beschikken, ontketenen ook stringente maatregelen over hun bevolking.

De normatieve aanpak van deze pandemie stort ons in een maalstroom van een andere orde. Een orde die de weerstand van de bevolking tegen inperkingen van de vrijheid test. Vandaag is de pandemie de zeer begrijpelijke en breed aanvaarde verantwoording, maar wat zal het morgen zijn?

Georges Bernanos schreef in zijn essaybundel uit de Tweede Wereldoorlog 'Le Chemin de la Croix-des-Âmes':

“Wat wilt u? De vrijheid is overal in gevaar, en ik heb ze lief. Ik vraag mij soms af of ik niet één van de laatsten ben die van haar houdt, die zozeer van haar houdt dat zij mij niet alleen onontbeerlijk voorkomt voor mij, want ik heb ook nood aan de vrijheid van de anderen.”

Op deze grijze coronakerst roep ik op om de vrijheid, onze vrijheid, in bescherming te nemen. In onze geseculariseerde wereld staat kerst voor het feest van de vrede. Laat het een vrede zijn die onze vrijheid hoog in het vaandel voert en de inperking ervan onderwerpt aan de strengste norm van de noodzaak, de redelijkheid en de evenredigheid met het nagestreefde doel.

Met genegen groeten en beste wensen voor een warm eindejaar,

Peter Callens
Voorzitter OVB