“Sommige advocaten tonen op sociale media een schandelijke arrogantie of vrijpostigheid"

Dat burgers ongestraft smadelijke, lichtzinnige en niet-onderbouwde uitspraken mogen doen op sociale media is vanzelfsprekend. En ook advocaten mogen zich laten horen, al hebben zij toch een beperking op die vrijheid van meningsuiting. “When they go low, we go high”, zou Michelle Obama zeggen.


De advocaat kan zich wel wat permitteren, wanneer het erop aankomt de verdediging van de cliënt op te nemen. De advocaat hoeft bijvoorbeeld geenszins beleefd te zijn op de rechtszitting – al denkt uw dienaar met gepaste bescheidenheid dat beleefdheid veelal betere resultaten zal opleveren. Messcherp uit de hoek komen, zelfs eerrovende uitspraken doen op de zitting is toegestaan, als de verdediging van de cliënt dat nodig maakt.

Wat daarbij centraal staat, is dat de advocaat ongehinderd, zonder vrees voor represailles, het recht van verdediging moet kunnen uitoefenen in het belang van de cliënt, in woord en geschrift. Het is in eerste instantie de advocaat zelf die de afweging maakt van wat daarvoor nodig is, niet de rechter.

Dat is, kortweg, de zogenaamde immuniteit van het pleidooi.

Maar als de advocaat zich vergaloppeert in die afweging, als zijn of haar uitspraken kennelijk misplaatst of nodeloos grievend zijn, dan kan de kwestie escaleren naar de tuchtraad.

Geen nood, tuchtsanctionering is in die materie bepaald zeldzaam. Daar zijn goede redenen voor. Advocaten zijn voorzichtig genoeg om met hun uitspraken niet uit de bocht te gaan. En wanneer zij hun woorden drenken in vitriool, zijn zowel rechters als stafhouders al even voorzichtig: zij willen niet de indruk wekken dat zij de rechten van verdediging willen ondermijnen met een vervolging, laat staan met een veroordeling van de advocaat.

Die immuniteit werkt in onze gemediatiseerde wereld door naar uitspraken van de advocaat buiten de rechtszaal. Wanneer een zaak uitgesmeerd wordt in de media heeft de cliënt ook daar nood aan bijstand. De advocaat moet er zijn of haar rol kunnen spelen. Daarover bestaat heden ten dage geen enkele twijfel meer. Ook de op 3 juli 2020 aangepaste deontologische regels bevestigen dat in Afdeling III.5.2 Media van de Codex Deontologie voor Advocaten.

Maar de advocaat moet bij de les blijven: de kernwaarden van het beroep blijven van toepassing. Het gaat om het belang van de cliënt en niet om dat van de advocaat. En het proces wordt niet in de media gevoerd.

De advocaat onthoudt zich van misleidende uitspraken en levert geen lichtzinnige of lasterlijke, niet op feiten gebaseerde commentaren. Dat is bij uitstek zo wanneer de advocaat het woord neemt buiten de rechtszaal. Die gereserveerde houding is wat het publiek van een van de actoren van justitie mag verwachten: de advocaat speelt een sleutelrol bij het verzekeren dat de hoven en rechtbanken in een rechtstaat het vertrouwen genieten van het publiek.

Dat impliceert allerminst dat de advocaat geen kritiek zou mogen uitoefenen op de werking van de instellingen. Wel integendeel, de kritiek mag zelfs virulent zijn, mits zij feitelijk onderbouwd is. De wijze waarop de advocaat zich uit, vereist ernst, waardigheid en redelijkheid. Voor wat de vorm betreft: bijtende en zelfs sarcastische commentaar valt binnen de limiet, smaad valt erbuiten. Over dit alles beveel ik warm de lectuur aan van Morice t. Frankrijk (§§132 tot 139), het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uit 2015.

Ook los van hun interventies voor cliënten kan de advocaat, zoals elke burger, zich beroepen op de vrijheid van meningsuiting. Zo zijn advocaten bijzonder goed geplaatst om een gefundeerde mening te geven over het verloop van procedures. Omwille van het gezag dat advocaten willen uitstralen – en ook krijgen – geeft het publiek aan hun bedenkingen over juridische kwesties een groot gewicht. Terecht, dat moeten wij blijven ambiëren. Maar dat gezag vereist ook terughoudendheid.

Hiermee raak ik de crux van wat ons, advocaten, beperkt in onze vrije meningsuiting: misschien kunnen anderen zich verlagen tot smadelijke of lichtzinnige, niet-onderbouwde uitlatingen, wij niet. Misschien vallen zulke uitspraken binnen de vrije meningsuiting van die andere personen. Maar dat soort vrijheid laten wij aan ons voorbijgaan. Ongeacht of u – na de bestorming van het Capitool door het gepeupel nog steeds – Trumpist of eerder Obamafan bent, de uitspraak van Michelle Obama moet ons leiden: "When they go low, we go high."

De sociale media zijn zelden het geliefkoosde terrein van de fijnbesnaarde nuancezoeker. De opgelegde beknoptheid en de roep om de snedigste formule dragen niet altijd bij aan de verhevenheid van het debat, met name niet bij minder getalenteerde schrijvelaars. Advocaten hoeven niet aan de zijlijn te blijven staan, de sociale media mogen zij bespelen. Alleen is het zorgelijk dat sommige van hun schrijfsels niet meer doen dan bevestigen dat sociale media de veel te luid afgestemde megafoon zijn van het internet. Zij zijn soms, laten wij het maar toegeven, van een beschamende arrogantie of vrijpostigheid. In hun drang om te roepen vergeten zij dat zij advocaat zijn.

Bij momenten is de tussenkomst van de stafhouder onontkoombaar. Gelukkig gebeurt dat slechts bij hoge uitzondering. Zo’n tussenkomst is snel en efficiënt. De balie toont daarmee zowel haar slagkracht aan als het maatschappelijke belang van haar instellingen. Maar dat zo’n tussenkomsten zich opdringen, stemt wel tot weemoed of tot woede, afhankelijk van uw gemoed.

Onze beroepsgroep heeft er alle belang bij om ons gezag over juridisch getinte zaken hoog te houden – en gezien de juridisering van onze maatschappij, zijn dat er behoorlijk veel. Please go high. Na woensdag meer dan ooit tevoren.

Met genegen groeten,

Peter Callens
Voorzitter OVB